Onze geschiedenis

Hoe het begon 

Het perceel Gerrit van der Veenstraat 177 verraadt op geen enkele wijze dat hier, in 1933, de kiem voor het Geert Groote College werd gelegd. Het is een anoniem onderdeel van een blok etagewoningen, opgetrokken in de stijl van de latere Amsterdamse School. Bruine baksteen domineert, het geheel oogt solide en lijkt bestemd voor een tamelijk welvarend publiek. Een enkel ornament legt een bescheiden, ingetogen echo van de wulpsheid uit de gay twentiesin de gevel. Een grillig uitgebouwde torenetage op de hoek heeft zelfs iets dorpsachtigs. Zware houten deuren zijn in dikke kozijnen gevat. Voor de oorlog heette deze nog steeds tamelijk stille verkeersader, de Euterpestraat. 

De school begon met zeven leerlingen, die voor het merendeel uit twee kleine vrije peuterklasjes kwamen, die eerder uit particulier initiatief waren ontstaan en die ook aan huisresideerden. Eén op de Parnassusweg vlakbij de Stadionkade waar de stad abrupt ophield en het weiland begon, en één in de Deltastraat onder de wolkenkrabberdie, amper voltooid, met liefst twaalf verdiepingen Nieuw-Zuid domineerde. Deze kleuterklasjes waren de oogstvan een aantal lezingen. Een zekere Max Stibbe, leraar aan de Vrije School te Den Haag, had in 1929 voor geïnteresseerde ouders te Amsterdam voordrachten gehouden over het vrijeschoolonderwijs.

De eerste twee jaar was Mieneke Rosenwald de enige lerares. Zij wordt door wie haar nog gekend hebben een lieve vrouwgenoemd. Tijdens het tweede jaar had zij de verantwoordelijkheid over een gecombineerde eerste en tweede klas, twaalf leerlingen in totaal. Het onderwijs vond plaats in de kinderkamer van de familie Van Royen, Euterpestraat 177. 

In het derde jaar, waarin zich opnieuw een eerste klas aanmeldde, zou in de kinderkamer niet genoeg plaats meer zijn. Zo werd in 1935 een herenhuis aan de Lairessestraat 153 betrokken. Het is een wat saai pand uit de tijd rond de eeuwwisseling in een aaneengesloten rij. Er is nu een reclamebureau gevestigd. De achtertuin diende als speelplaats, in de grote keuken at het groepje leerkrachten rond het middaguur hun warme maaltijd. Mieneke Rosenwald was inmiddels getrouwd en naar het platteland vertrokken. Mies Wils - later Mies Boeke - nam haar klas over en Joly Schmidt kreeg de nieuwe eerste klas. De onderwijzeressen woonden in de bovenkamers; de conciërge, een oud-marineman, in het souterrain. Eén van de kamers was tot euritmie-zaaltje verheven, er prijkte een harmonium. 

Als mentrix zou Caroline von Heydebrand optreden, een bekend pedagoge in antroposofische kringen. Zij woonde ook boven, maar bleek al snel niet tegen het klimaat in Nederland bestand en reisde weer af. Haar taak werd overgenomen door Max Stibbe - eigenlijk menéér Stibbe. Hij was degene die de naam Geert Groote School bedacht. Omdat hij in die tijd veel over Geert Groote en diens Broederschap des Gemeenen Levens publiceerde. Voorheen heette het de Nieuwe School der Amsterdamsche Vereeniging voor Vrije Opvoedkunst. Stibbe zag in het streven van Geert Groote elementen, die in moderne vorm ook in de antroposofie te vinden zijn. Bovendien had Rudolf Steiner, toen hij lezingen hield in Nederland, gewezen op het belang van Geert Groote voor de geschiedenis van het onderwijs. 

Ieder jaar kwam er een nieuwe klas en dus een nieuwe leraar bij. Mevrouw Talsma, Carel van der Willigen, Jan Baggerman, Ans Hezemans en Cees van der Linden waren al voor de tweede wereldoorlog bij de gestaag groeiende school betrokken. Het was een klein groepje dat hevig pionierde, gedreven door een sterk levend ideaal waarvoor men ook bereid was veel te offeren. Enkelen waren oud-leerlingen van de vrijeschool te Den Haag en hadden enige ervaring. Maar het overheersende gevoel uit die jaren was toch dat ieder voor zich ontdekkingen deed, ingroeide, op een klein eilandje. De maatschappij stond niet bepaald te springen om een nieuwe vorm van onderwijs. Subsidie was ondenkbaar. Nu en dan werden er, om het gevoel van gezamenlijkheid binnen het college te bevorderen, kleine uitstapjes gemaakt. Naar het paviljoen in het Vondelpark waar een cabaret was. Of er werd gedanst in het Lido. Toch leefden al deze jonge mensen hun eigen leven, de school was in hun ogen beslist geen commune. Tijdens het middageten in de keuken werd over de kinderen gesproken en het was altijd weer een netelig punt, wie in de winter de kachel van de centrale verwarming zou opstoken en regelmatig kolen scheppen en bijvullen. Er is ook een periode geweest waarin de leraren het middageten te duur vonden (maandelijks f. 15.- (€ 6.80) op een maandsalaris van tegen de f. 75.- (€ 34.00)), zodat dit werd afgeschaft. Velen gingen toen regelmatig op ouderbezoek, niet in de laatste plaats om met het betreffende gezin mee te kunnen eten. 

Omdat de school niet werd gesubsidieerd, stamden de meeste leerlingen uit welvarende gezinnen, die zich een voor die tijd hoog schoolgeld konden veroorloven. Maar er waren er ook uit SDAP-kringen, vooral uit Amsterdam-Noord. De enthousiaste ouders uit die gelederen konden meestal geen schoolgeld opbrengen, enkele anonieme ouders betaalden dan dubbel. Alleen de administrateur wist wie niets betaalde en wie tweemaal. 

De schoolkeuze was in die dagen een zeer bewuste aangelegenheid en veel ouders waren dan ook intens met het schoolleven verbonden. Dat had ook wel zijn keerzijden. Een kind dat in het speelkwartier was gevallen en zich had bezeerd, kon voor de klassenleraar een fikse confrontatie met de vader of moeder opleveren. Want waarom had die onderwijzer niet beter opgelet? Stoutigheden als belletje trekken of steentjes naar andere tuinen gooien werden ook hoog opgenomen. 

Er waren volgens de direct betrokkenen in die jaren ook veel mooie kinderen. Meisjes soms nogal eens een beetje Gretchen-achtig, de jongenmannen leken – wanneer de herinneringen van mijn zegslieden correct zijn - zó uit een stichtelijk jongensboek weggelopen. Archaïsch, noemde een oud-leraar de sfeer uit die tijd. Eigenlijk zou je foto’s of een filmpje uit die dagen ter beschikking moeten hebben om te kijken of die sfeer ook in onze hedendaagse ogen zo was, als de leerkrachten toen beschreven. Maar één ding was zeker. Gebroken gezinnen kwamen in die periode vrijwel niet voor, er was thuis regelmaat en duidelijkheid. 

Max Stibbe kwam steeds op Dinsdagochtenden uit Den Haag om in de klassen te kijken. ‘s Middags was er dan een soort studiebijeenkomst waarbij een voordracht van Rudolf Steiner werd gelezen en besproken. ‘s Avonds at hij bij de familie Bienfait, een van de oprichters en weldoeners van de school. Daarna was op school de pedagogische vergadering. Op Dinsdagavond. Een uniek feit in het leven van de vrijeschool-beweging, omdat Max Stibbe op de traditionele Donderdagavond in zijn thuisbasis te Den Haag de pedagogische vergadering moest bijwonen. 

Op grond van wat Stibbe ‘s ochtends in de klassen had gezien en na gesprekken bij de Bienfaits, sprak hij die avond de vergadering toe. Hij was een krachtige, cholerische persoonlijkheid en het kleine groepje leraren, soms aangevuld met belangstellende ouders, kreeg zo nu en dan een ware donderspeech. Een enkele maal waren er echter ook wel lovende woorden. 

Oorlog 

De school werd met een zeventig-tal leerlingen, verdeeld over zes gestaag groeiende lagerschoolklassen, te groot voor het pand aan de Lairessestraat. In de Quinten Massijsstraat, achter de Euterpestraat, resideerde de Hagedoornschool in een nieuw-zakelijk bouwwerk uit gele baksteen; strak en met voor die tijd grote ramen in stalen sponningen. Deze school was gestadig kleiner geworden. Het was een eliteschool en had op dat moment zes lokalen over. In 1940 werd een deel van dit gebouw door de Geert Groote School betrokken. Er werd een nieuwe ingang gemaakt aan de Albrecht Dürerstraat op een plaats die, na enig zoeken, thans nog te herkennen is aan een strook nauwelijks nieuwer ogende bakstenen. De leerlingen die naar de bovenetage gingen, moesten via een stalen brandtrap die in de winter bij ijzel levensgevaarlijke situaties opleverde. 

De zeven jaren die de Geert Groote School op die locatie vertoefde, zijn overschaduwd door de oorlog. Dat de school überhaupt heeft kunnen voortbestaan, terwijl alle andere vrijescholen in bezet gebied en in Duitsland op bevel van de nationaalsocialistische autoriteiten onmiddellijk moesten worden gesloten, is te danken aan een combinatie van vele factoren. 

In de eerste plaats was er een onberedeneerd gevoel waarbij doorgaan als iets vanzelfsprekends werd beleefd. Ook als dat op min of meer illegale basis moest gebeuren. Als eerste strategische zet werden door de administrateur, Mr Heintz, direct alle rekeningen van de school opgeheven. Vervolgens werd door leraar Cees van der Linden een goedkope partij oude schoolbanken gekocht en ingeleverd bij de bezetter. Alsof het van de zojuist opgeheven Geert Groote School kwam. Ook het totale tegoed van de school à f. 112.-, (€ 50.82) door enkele ouders tot een ietwat realistischer som opgehoogd, werd aan de autoriteiten overgemaakt. Op papier bestond de school dus niet meer. Verder huisde de school als gast binnen een andere school die gelukkig steeds zijn mond hield, zoals ook de inspectie tijdens al die oorlogsjaren zweeg. (Achteraf bezien mag dat een wonder heten. Gezien de vele leraren, leerlingen, ouders en inspecteurs die hierbij in het geding waren, had dit avontuur maar al te gemakkelijk fataal kunnen aflopen.) Vervolgens bevond de school zich vlakbij het hoofdkwartier van de SS in de Euterpestraat, met als gevolg dat niemand op die plek iets subversiefs vermoedde. Bovendien viel zij niet op te midden van de vele andere scholen in de buurt, was met haar geringe leerling bestand nauwelijks een culturele factor van betekenis, (zoals de Haagse vrijeschool met veel leerlingen en een opvallend gebouw, dat wel was). Tenslotte riep de naam van de school eerder associaties met katholiek onderwijs op, dan met antroposofie en stond bij de omschrijving van de school in het onderwijsarchief alleen de tekst onderwijs op kunstzinnigen grondslag. Had er antroposofie of Rudolf-Steiner-pedagogie gestaan, dan was het snel afgelopen geweest. 

Maar het was doordraaien met vierkante wielen, zoals een van de oud-leraren het uitdrukte. Om te beginnen bleven geleidelijk de joodse kinderen, die vaak de ziel van een klas vormden, weg. Er hebben zich drama’s voltrokken met pogingen om onderduikadressen te verzorgen en met afscheid bij deportaties, waar diverse oud-leraren niet dan onder tranen over konden spreken. (Over onze joodse leerlingen valt te lezen binnen dit portaal; klik op de betreffende tekst.) Daarnaast was er voortdurend de dreiging dat je als leraar werd opgepakt voor de Arbeitseinsatz. Een enkele docent, Carel van der Willigen, heeft het laatste deel van de oorlog in de leraarskamer gewoond en maakte, als het college zich daar verzamelde voor de ochtendspreuk, zijn bed op. 

Er waren pogingen om nog wat vreugde in het onderwijs te brengen. In het begin van de oorlog werd nog wel eens een uitstapje gemaakt naar een pannenkoekenhuisje, wanneer een leerling jarig was. Ook is er een enkele maal gezeild op de Westeinder. Leerlingen maakten toen nog hun eigen slagzinnen. Tijdens een dergelijk zeiltochtje riep een jongen opeens: Als je dát niet doet… ’dan komt Beëlzebub met de grote club’. Weldra scandeerde de hele klas over het water te pas en te onpas: ‘Dan komt Beëlzebub met de grote club.’ 

Nu, Beëlzebub was al volop aanwezig en zou steeds grimmiger toeslaan. Gedurende de laatste oorlogsjaren was het onderwijs vooral een kwestie van voeden en warm houden. De euritmiste Nel Klinkenberg is tweemaal op de fiets tot achter de IJssellinie gereden om aardappelen te regelen en meel. Als het te koud was vanwege gebrek aan kolen, werd bij leraren thuis les gegeven. Veel leerlingen konden vanwege vervoersproblemen helemaal niet meer komen. Van de honderd leerlingen waarmee men in 1940 begon, restte tenslotte nog een klein huiverend groepje. 

De geallieerde bommen die bestemd waren voor het hoofdkwartier van de SS misten hun doel, verwoestten een woonhuis en sloegen een groot gat in de Euterpestraat. Er vielen doden en het ruïneuze gat bleef lange tijd als een verontrustend teken van gevaar de stemming in de wijk beheersen.

De bevrijding leverde een buurtfeest op waarbij de leerlingen en leraren van de Geert Groote samen met de populatie van de Hagedoornschool op het plein het Wilhelmus zongen. Daarna volgden maanden van ontwaken uit doffe ellende en zorg, van geleidelijk wennen aan vrijheid en de vreugde die daarbij konden horen. Tegelijkertijd was het ook een periode van rouw en smart om leerlingen die niet terugkeerden, ontzetting over de ware omvang van de terreur die aan het licht begon te komen en ook wel van schuldgevoelens omdat men in bepaalde situaties niet had kunnen ingrijpen. 

De school begon weer te groeien, onstuitbaar nu. In de heropende Vrije School te Den Haag werd door onze leerlingen en demonstratie gegeven van concentratie-oefeningen, klap- en stampspelletjes en recitaties. De ruimte in de Hagedoornschool werd al snel te klein. 

Een eigen huis 

Verschillende oud-leraren spreken het gevoel uit dat de school met het betrekken van het eerste eigen schoolgebouw, een ietwat afwerend bakstenen pand in de stijl van de Versoberde Amsterdamse School aan het Hygiëaplein, pas echt begon. Vanaf die tijd, 1947, zijn ook hun herinneringen directer, kleurrijker en preciezer. Het leek wel, al vragend en interviewend, alsof de daaraan voorafgaande tijd achter een onbestemde sluier verborgen ging, nooit helemaal concreet werd, moeilijk tot beeldrijke voorstellingen te maken viel. Misschien kwam dat wel doordat de school nu een eigen gebouw bezat, waardoor ook in de beleving van de betrokkenen de school als zelfstandige eenheid geboren werd, haar eigen belichaming kreeg. Men was niet langer de anonieme gast, werd niet gedoogd of op de vinger gekeken. Toch was dat aan de buitenzijde enigszins naargeestige pand aan het Hygiëaplein niet helemáál van ons. Er waren twee ingangen. Wij hadden de linker, de Olympiaschool, een openbare school voor basisonderwijs die daar al veel langer gehuisvest was, had de rechter ingang. Maar we waren formeel wel gelijkwaardig, al stond de Geert Groote School vrij snel bekend als Geert Gekke School. Omdat alles daar anders was. Bovendien had onze school de reputatie allerlei leerlingen die problemen hadden en tegen het regulier onderwijs niet bestand bleken, toch nog een warm plekje te bieden. Waardoor deze gehavende jonge mensen veelal alsnog tot ontplooiing kwamen. Iets waar men in die dagen eerder wat misprijzend op neerkeek, dan dat het enthousiasme teweeg bracht. De leerlingen van de Geert Gekke School hadden vakken die volstrekt uit de toon vielen. Er was euritmie, er werden Michaëlsliedjes gezongen, in plaats van rekenen werd er geklapt en gereciteerd op franse tekstjes door tienjarigen en er werden spreukjes gezegd aan het begin van de les. Maar de school groeide door. Klassen van 40 leerlingen of meer waren geen uitzondering. 

De kinderen werden in de jaren 50 volgens mijn zegslieden ook brutaler. Uit eigen ervaring kan ik dat wel bevestigen. Ik herinner me nog goed dat tijdens de uitvoering van de kerstspelen (tijdens die jaren steevast in het allang gesloopte statige Mirandapaviljoen bij de Apollolaan), een groep opgeschoten jongens uit klas acht een bak vol erwten had meegenomen. Bij het opkomen van de engel of bij de aanbidding door de herders, zwiepten zij telkens een handvol harde erwten vanaf het balkon naar het toneel. In de duisternis waren zij niet te traceren, ook niet door de leraren die orde moesten houden. Telkens weer knetterden er knikkergrote erwten naar beneden, ook tussen de medescholieren beneden kwamen zij terecht. Het was natuurlijk niet te versmaden om die neergekomen groene knikkers vervolgens heimelijk tegen het achterhoofd van een aandachtig meisje uit de zesde klas te mikken. De ordeproblemen van toen leken een stiekemer, schijnheiliger karakteristiek te bezitten dan tegenwoordig. Het was, veel meer dan nu, gebruikelijk om je af te zetten tegen de sfeer van de school. Ondanks het feit dat leraren wel degelijk een flinke portie gezag uitstraalden en ontzag oogstten. Het was een karakteristiek die tegenwoordig op het Geert Groote College nauwelijks meer bestaat. Misschien ook wel omdat we tegenwoordig veel sterker in de maatschappelijke werkelijkheid zijn geïntegreerd en geaccepteerd, veel minder een buitenbeentje vormen.

Lang niet alle ouders waren in de jaren 50 nog zo intiem met de doelstellingen van de school verbonden als voor de oorlog. Omdat de school echter pal achter de eigen normen en waarden bleef staan, ontstonden hier en daar spanningen. De radio leverde in de toenmalige maatschappij allerlei slagzinnen en straatliederen, waartegen diverse leraren een vrijwel vergeefse strijd voerden. Zo herinner ik me uit die jaren enkele bijeenkomsten met de hele school in de gymzaal, alwaar een indringend pleidooi werd gehouden tegen de verderfelijke invloed van dit massamedium, de radio, dat alle creativiteit in de mens sluipenderwijs zou ombrengen. Terwijl het toch juist onze missie was om mensenkinderen tot diepere inzichten, intensere belevingen en een religieus naturel te voeren. Ook ouders werden aangespoord om hier hun steentje bij te dragen. Het gevecht van Michaël tegen de draak kreeg op deze wijze een directe inhoud: niet naar de radio luisteren, of hooguit streng gedoseerd alleen naar leerzame programmatuur of een enkele nieuwsuitzending. 

Verder werd meisjes natuurlijk niet toegestaan om broeken te dragen, tenzij het vroor dat het kraakte. Ook voor de leraren was de juiste kleding een punt van strenge aandacht; alles moest er verzorgd en degelijk uitzien. Ik herinner me de meeste leraren dan ook in maatkostuum met wit overhemd en stropdas, de dames in japonnen of deux-pieces. Maar er werd wel driftig gerookt, soms dreef sigarenwalm of de scherpe geur van pijptabak regelrecht rond onze hoofden in het klaslokaal. Daar maakte in die dagen nog niemand een punt van. Jongens liepen vrijwel allemaal in korte broeken, de meisjes vrijwel zonder uitzondering in jurkjes, met bovenop het haar nogal eens een reusachtige strik in rood, blauw of groen. Afwijkingen werden afgestraft met sociaal isolement of een collectieve uitlach-sessie op het drukke plein voor de school. Ondergetekende is dit enkele malen overkomen. Omdat zijn haar gek zat, of omdat hij in de klas naast iemand was gaan zitten die raar was. 

Het college groeide uit tot een solide groep erudiete mensen. Dick van Romunde gaf een top-baan bij Werkspoor op om les te kunnen geven aan de bovenbouw. Walter Soesman, Hermien Cox, Erna Landweer, Henk Sweers - om enkele namen te noemen - vulden de bestaande kern aan. Het werd een echte Vrije School waar kracht van uitging. In de jaren vijftig omvatte de school 10 klassen. Ik weet nog goed hoe voor mij als derdeklasser, klas tien als een onbereikbaar hooggestemd gezelschap in een hemelsblauw lokaal huisde. Alle lokalen hadden toen hun eigen kleur, afgestemd op de leeftijdsfase, dus ieder jaar schoof je een lokaal en een kleur op. Vanaf 1961 trok men de opleiding door tot en met klas 13. 

Aan de inrichting van een bovenbouw was in 1948 de beslissing vooraf gegaan dat de school, tot dat moment geheel vrij van staatsbemoeienis, subsidie ging aanvragen. Voor de lagere school en voor een Mulo-opleiding werd die status ook verkregen. Het HBS-b-examen in klas 13 was dus noodgedwongen een staatsexamen en werd uit eigen middelen bekostigd. 

De beslissing om subsidie binnen te halen was zwaarwegend, omdat de school aldus toch een stuk vrijheid van inrichting prijsgaf. Er waren lange, diepgravende discussies aan voorafgegaan. Enkele collega’s vonden het ontvangen van subsidie in wezen onjuist, omdat dit het aspect Vrijheid (de hoeksteen van het gelijknamige woord in de naam vrijeschool) onmogelijk maakte. Eigenlijk was de Geert Groote volgens deze collega’s na 1948 geen echte vrijeschool meer. Maar vooral Cees van der Linden zette dóór. Met de subsidie haalde men toezicht vanuit de inspectie binnen en moest aan wettelijke kaders worden voldaan. Hoe vertaal je een leerplan van een 10e klas in Mulo-termen? Wel leverde de subsidiëring de school wat meer financiële armslag, hoewel veel leraren toch echt op een bestaansminimum bleven; de subsidie dekte lang niet alles. Ook voor leerlingen was het evident dat de groep leerkrachten dagelijks veel comfort en persoonlijke armslag inleverde. Daar stond een geweldige bevlogenheid voor het ideaal tegenover. Het indringende portret van Rudolf Steiner in de hal onderstreepte het belang van de zaak. Tijdens de dag waarop ik werd aangenomen, werd ik door de leraar die mij ontving - Walter Soesman - persoonlijk naar dat portret gevoerd. ‘Kijk Mark, dat is nu Rudolf Steiner, de grondlegger van onze school. Misschien komt er eens een dag waarop ook jij je met hem en zijn werk zult willen verbinden.’ Je wist als leerling dus heel goed, welk een uitzonderlijke positie deze vorm van onderwijs binnen het maatschappelijk bestel van die jaren innam. In zekere zin voelde je jezelf als leerling daardoor medebetrokkene, zelfs een beetje medepionier. Tegelijkertijd moet tot eer van de toenmalige school gezegd worden, dat wij als leerlingen nooit het gevoel hebben gekregen dat wij ons toch eigenlijk tot de antroposofie zouden moeten bekennen.

In dat licht is het des te tragischer dat in de jaren 60 binnen het lerarencollege spanningen begonnen op te treden, die rond 1968 uitgroeiden tot een onoplosbaar conflict dat diepe wonden heeft geslagen. Veel leraren verlieten de school, enkelen groeven zich in. Over dat conflict is veel nagepraat. Natuurlijk speelden in de eerste plaats verschillen van inzicht in het vormgeven van een vrijeschool een rol. Maar daarnaast was er ook sprake van wat in het Frans zo fraai incompatabilité des humeurswordt genoemd. Persoonlijke tegenstellingen die in de loop der jaren onverzoenlijk bleken. Bovendien hadden alle leraren van enig gewicht binnen deze school enorm veel geïnvesteerd. Er was eindeloos veel liefde en energie in de school gestoken, men had zich in vergelijking met andere beroepssituaties ook erg veel ontzegd aan comfort; aan de gewone alledaagse geneugten des levens kwam men nauwelijks toe. En dat jaar in, jaar uit. Zoiets wreekt zich.

Het was ondertussen, om het allemaal nog erger te maken, ook nog eens de tijd van Provo, van discussies, inspraakprocedures en bevrijding van taboes. Opeens moest het leven, om Remco Campert te parafraseren, vooral vurrukkulukzijn! Leerlingen werden opstandig, verwilderden hier en daar hevig, cannabisgebruik in de pauze werd opeens een optie. En alsof de duivel ermee speelde werd juist in die tijd, van 1968 tot 1972, de school ondergebracht in een oud gebouw aan de Ruysdaelstraat. Het pand aan het Hygiëaplein was veel te klein geworden en moest worden gerenoveerd en met een extra verdieping uitgebreid. De school had eerder al klassen in dependances moeten onderbrengen. Voordien had de Geert Groote School haar vroegere buur, de Olympiaschool, jaar na jaar steeds verder opgeslokt. De Olymiaschool werd als buurtschool een van de eerste slachtoffers van het toen teruglopend aantal leerlingen in Amsterdam en zeker rond het Hygiëaplein. Dat de Geert Groote School haar leerlingen tot uit de verre omtrek betrok, was opeens in haar voordeel. 

Renovatie 

De vier jaren in de Ruysdaelstraat zijn de meest roerige en hachelijke uit de latere biografie van de school geweest. Het oude college vertrok, een nieuw en zeer jong team nam het vaandel over. Wouter de Gans, Hugo Pronk, Christine Cornelius, Ton Mensenkamp en ondergetekende vormden daar de kern van. Peter Landweer, Claar Wijnbergh en Luc Altink waren al wat eerder in de school actief, Jan Sint, Ansje Vogel en Maarten Ploeger kwamen er een jaar of wat later bij. Van de oude garde bleven Henk Sweers, Tiny Veenhof, Henriët de Boer en Cees van der Linden op hun post. Als enigen van hun generatiegenoten.

Veel leraren kwamen, redden het niet en gingen weer, soms al na een paar maanden. Soms letterlijk met een losgerukte deurkruk van het lokaal in de hand. Ook in de Ruysdaelstraat ontstond in die jaren het fenomeen koffieshop, waardoor leerlingen soms ietwat wazig na de pauze in de lessen terugkeerden. Of hikkend van de slappe lach buiten hun stoel hingen. En wie waren wij als leraren dan helemaal om daar wat van te zeggen? De democratiseringsbeweging was immers juist bezig de jongere helft van het vaderlandse volksdeel in haar greep te krijgen, we mochten al blij zijn dat de school niet door een spontaan actiecomité werd overgenomen en tot antiautoritair gebied werd verklaard. Eénmaal is de school ingenomen door een grote groep scholieren en studenten die rellerig door de stad trok. In de gymzaal ontspon zich een spontane discussie. Een van de actieleiders riep uit: ‘Jullie moeten je directeur afzetten. Nu!’. –‘Maar die hebben we helemaal niet!’ Klonk het antwoord van onze leerlingen in koor. Toen ook het fenomeen van inspraak aan het Geert Groote al gemeengoed bleek, droop de actiegroep enigszins onthutst af en trok verder door de stad op zoek naar nieuwe uitdagingen. 

We werden ook gewoon bij de voornaam genoemd. Stel je voor, menéér de Gans, mevróuw Cornelius... belachelijk! Ook maatpak en deux-pieces verdwenen uit de leraarskamer. Soms kon je een docent nauwelijks meer van een leerling onderscheiden, je was hooguit een paar jaartjes ouder. Uiteindelijk was het nieuwe team dynamisch genoeg om het schip toch op koers te houden, waarbij ook de koffieshop goeddeels buiten de schoolmuren kon blijven. Tevens kreeg de school opeens tot veler verrassing, een Mavo-Havo-status. Daarmee was het voortbestaan van de school in feite veilig gesteld. 

Voorop in die jaren stond een schier onuitputtelijke betrokkenheid bij het welzijn van de aan ons toevertrouwde leerlingen. Telkens opnieuw werd er gekeken naar nieuwe vormen, nieuwe manieren om de praktijk van ons onderwijs te verbeteren. De nieuwe situatie vroeg ook dringend om een aangepaste structuur. Want hoe organiseer je een schoolbedrijf met voornamelijk nieuwe mensen en hoe vertaal je antroposofische inhouden in een eigentijdse vorm? De hulp van het NPI, een antroposofisch georiënteerd instituut voor organisatieontwikkeling, dat zijn sporen al ruimschoots had verdiend in het bedrijfsleven, werd ingeroepen. Er werden conferenties belegd waar de werkwijze van het college werd geëvalueerd. Het bleek behoorlijk chaotisch allemaal, maar wel idealistisch, bevlogen en dynamisch. 

Ondertussen kon in 1972 het gerenoveerde gebouw aan het Hygiëaplein weer worden betrokken. Van binnen was alles nieuw en gaaf. Van het sombere bouwwerk waren de twee toch wel karakteristieke kleine ingangen van weleer, vervangen door één duidelijk organische ingangspartij waarover de meningen nog steeds verschillen. De rook was opgetrokken. We hadden het gehaald. Zo voelde het tenminste. In ieder geval zette vanaf dat jaar opnieuw een sterke groei in, die binnen enkele jaren tot verdubbeling leidde, ook van het lerarencollege. 

Een nieuwe werkwijze, het mandaten-systeem, werd met veel pijn, kinderziektes en af en toe ook met verschrikkelijke missers, ingevoerd. We hoefden nu niet meer met zijn allen te bakkeleien over nieuwe schriften of potloden die moesten worden ingekocht. Mandatarissen kregen vertrouwen en werden in principe jaarlijks geëvalueerd. Die mandatarissen werden ook niet per sé gehinderd door kennis van zaken, zij mochten fouten maken. Persoonlijke ontwikkeling ten dienste van de school werd als belangrijker ervaren dan het inzetten van parate expertise. Dit alles natuurlijk geheel passend in de geest van de jaren zeventig. We waren allemaal heftig aan het pionieren en verder natuurlijk vooral onervaren. Je kreeg als jonge leraar binnen een dergelijke opzet natuurlijk onvermoede kansen. Wie iets wilde kon dat ook vrijwel altijd realiseren. Tegelijkertijd waren velen van ons op zijn minst een béétje gelijkhebberig. Wij zouden de wereld wel eens even laten zien hoe antroposofie in de praktijk op moderne wijze gepraktiseerd moest worden. Diverse zusterscholen in den lande keken met enige zorg naar de spurt die in Amsterdam werd ingezet. Wás dat nog wel een vrije school?

Om alle zo fraai bedachte structuren in goede banen te leiden werden er cursussen creatieve samenwerking georganiseerd door het NPI. We stonden daar soms twee aan twee met gespreide armen tegenover elkaar te bewegen om elkaars intenties en grenzen non-verbaal af te tasten. Cursussen over temperamenten waren onthullend en soms dramatisch, omdat je zo op directe wijze met je eigen (on)mogelijkheden werd geconfronteerd. Ook in werkconferenties namen we elkaars functioneren in kleine groepjes scherp op de korrel. Zowel de (al dan niet vermeende) plussen als de minnen van je collega’s kwamen in alle eerlijkheid op tafel. Soms pijnlijk, maar wel erg leerzaam. Geleidelijk werden we een hecht team. Het managen van de school verliep langzaam maar zeker efficiënter. Al die vernieuwingen hadden hun uitwerking op de praktijk in de klas, met name in een bereidheid om telkens opnieuw te kijken wat waardevol en zinvol was voor onze leerlingen en wat als uitgebloeide traditie opzijgeschoven kon worden. 

In de jaren zeventig opereerde de school in de voorhoede van het Middenschoolexperiment, het experiment Traditionele Vernieuwingsscholen en het experiment Funderend Onderwijs. Onze bevlogenheid en daadkracht vonden landelijk weerklank, zeker in de periode waarin Jos van Kemenade als een soort superminister van onderwijs optrad. Die geweldige innovatieve energie was in hoge mate te danken aan Wouter de Gans, die als geen ander door de berg van ambtelijke stukken en bizarre afkortingen heen kon kijken en een vernieuwende koers kon uitzetten die altijd recht deed aan de innerlijke drijfveer van het vrijeschoolonderwijs. Ik weet nog dat Wouter vaak al ‘s morgens om zeven uur paraat was en de talloze verse beleidsintenties van het ministerie doornam, beschikkingen en overwegingen van onderwijsondersteunende projectgroepen met bizarre namen als COLBO en COLO helemaal doorlas en begreep. Dankzij die experimenteerstatus waren er opeens ruime financiële middelen beschikbaar. Dat betekende dat idealen plotsklaps konden worden vertaald in extra vaklessen, zoals in Technische Oriëntatie, terwijl in allerlei experimentele situaties zonder problemen twee leraren voor de klas mochten staan, en vele zinnige en onzinnige mandaatfuncties gecreëerd konden worden. Hoewel we dat zelf nauwelijks beseften, kon het allemaal nauwelijks op. Ik weet nog hoe ik op zekere dag toevallig na een gesprek bij de administratie ontdekte dat er nog een bedrag van vele duizenden guldens openstond voor het vak handenarbeid. Maar dat potje bleek de volgende dag al niet meer beschikbaar, dan was de deadline overschreden. Een foutje, door iedereen over het hoofd gezien. Maar geen nood. Met mijn collega Benno Sloots reden we in mijn DS-break met hoge snelheid naar onze leverancier in Utrecht om daar anderhalf uur vóór sluitingstijd binnen te stormen en letterlijk alles te kunnen aanwijzen en kopen wat ons hart op dat moment begeerde. Het laadruim van mijn voiture was tot de laatste millimeter gevuld met gereedschappen van de eerste kwaliteit. Onze onverwoestbare zetbank en plaatrondzetwals uit het huidige metaallokaal stammen nog van die actie. 

De financiële ruimte van die jaren vertaalde zich overigens niet in onze salarissen. Integendeel. Wij waren trots op onze zogenaamde maatschap. Die hield in dat elke leraar in alle vrijheid kon bepalen, hoeveel salarisruimte hij/zij meende nodig te hebben. Mensen waren immers verschillend! Bovendien kon niemand hard maken dat een eerstegrader belangrijker werk volvoerde dan een kleuterleid(st)er. In plaats van hoge claims, stonden er in de praktijk nogal eens uitermate bescheiden verlangens op het lijstje. Die gegevens waren openbaar, met als gevolg dat er eerder gesprekken ontstonden over de laagte van iemands salaris, dan over de hoogte ervan: Hoe kun je in hemelsnaam dáárvan leven? Een luxe bestedingspatroon leek dan al gauw een tikje asociaal. Het was moeilijker om over een hoge eis in gesprek te komen. Natuurlijk sluimerden er wel irritaties onder de oppervlakte, maar de algehele voorspoed zorgde ervoor dat echt grote verschillen op financieel gebied (die er wel degelijk waren) niet tot conflicten leidden. Het einde van deze uitermate dynamische periode werd eigenlijk al een beetje ingeluid doordat Wouter de Gans in 1977 pardoes de school moest verlaten omdat hij een te zware wissel op zijn energie had getrokken.

 

Back to business 

De jaren tachtig en negentig werden gekenmerkt door wat ik maar gemakshalve professionalisering noem. De dynamiek van de school was, ook met het toenemen van de leeftijd van het merendeel van de pioniers uit de jaren zeventig, gericht op versteviging van het bestaande. Ook omdat de financiële middelen teruggedraaid werden, bleef alleen het duurzame van al die bevlogen experimenten overeind. Dat was in mijn optiek in de eerste plaats het invoeren van stages. Negendeklassers werkten een week in een winkel, tiendeklassers twee weken in de verzorging, elfdeklassers stonden (toen nog) drie weken in de fabriek aan de lopende band. Met het aldus verdiende geld (het minimum-jeugdloon), werd een groot deel van de kunstreis bekostigd die in klas twaalf gehouden werd. 

Eerst gingen we voor die kunstreis een week naar Parijs, vervolgens werd het Rome-Florence-Parijs gedurende een zestiental dagen. In die steden lieten we van meet af aan onze leerlingen in kleine groepjes per dagdeel hun eigen koers uitstippelen. Gevolg daarvan was, dat leerlingen in eerste instantie op zoek gingen naar datgene uit de periode kunstgeschiedenis en bouwkunst, wat van hun gading was. Vervolgens werden op de ontmoetingspunten in de stad de opgedane ervaringen uitgewisseld. Met als resultaat dat nieuwe tweetallen of viertallen op pad gingen, dankzij de enthousiaste verhalen van hun klasgenoten. Op die manier werden de steden grondig verkend, ook op het gebied van leuke en goedkope eethuisjes. Tot vandaag is deze vorm van de kunstreis behouden gebleven en vormt voor veel leerlingen nog steeds het hoogtepunt van hun schoolloopbaan.

Dankzij de stages werd ook het gevoel van maatschappelijk isolement dat ikzelf als leerling nog duidelijk heb ervaren, op een uitermate leerzame en zinvolle manier doorbroken. We legden als school ook relaties met het bedrijfsleven en leerlingen kregen aldus makkelijker toegang tot allerlei vakantiebaantjes. Examenwerk voor handenarbeid werd tentoongesteld in de showroom van Citroën aan het Stadionplein of in de centrale hal van het World Trade Center. 

Halverwege de jaren tachtig leek het erop dat wij als vrijeschool onze examenstatus zouden kwijtraken vanwege allerlei ministeriële beschikkingen. Vooral dankzij briljant opereren van Henk Kranenborg, onze toenmalige amanuensis, werd op het laatste moment voor onze dertiende klas een deelfusie gesloten met het Montessori-lyceum te Amsterdam. Het bleek een samenwerking tot wederzijds voordeel, die tot het jaar 2000 heeft standgehouden. Dankzij instroom van leerlingen uit Haarlemse en Bergense vrijescholen werd het examenjaar haast een instituut op zich, met jaarlijks ruim boven de honderd kandidaten, op kundige wijze geleid door Tjeerd de Boer. 

De maatschap kon in haar oude vorm niet langer blijven bestaan en metamorfoseerde tot een vaste (maar wel naar eigen inzichten samengestelde) schaalverdeling waarbij in vergelijking met het reguliere onderwijs inleveren meestal toch wel troef was. Maar er waren gelukkig geen discussies meer mogelijk over de grote salarisverschillen van weleer. Ondertussen werd ook het gebouw aan het Hygiëaplein te krap. Voor het basisonderwijs werd nieuwbouw gerealiseerd aan de Fred Roeskestraat, ditmaal in een vormgeving die onze eigen inzichten weerspiegelde. Het was de bedoeling dat te zijner tijd ook de bovenbouw daar zou aanschuiven in een fors uitbreidingsproject. We konden het nauwelijks geloven. 

Wordt vervolgd. 
Mark Mastenbroek