Geert Groote College Amsterdam
Fred. Roeskestraat 84
1076 ED Amsterdam

020 574 5830
info@ggca.nl

De geschiedenis van het Geert Groote College

De Geert Groote School, nu het Geert Groote College, bestaat bijna 90 jaar en kent een rijke geschiedenis. Onze school ontstond in 1933, tien jaar na de opening van de eerste Nederlandse Vrije School in Den Haag.

Wie is Rudolf Steiner? 

De eerste Vrije School werd 1919 in Stuttgart geopend. De bron van de Vrije Scholen ligt in het gedachtegoed van Rudolf Steiner (1861-1925). Zijn pedagogische en didactische aanwijzingen beslaan een breed spectrum van zowel het basis als het voortgezet onderwijs.

Steiner formuleerde zijn aanwijzingen vrij algemeen en spoorde leraren aan die voor hun eigen situatie in te vullen en aan te passen. Het onderwijs van de vrijescholen van vandaag laat daarom een weloverwogen combinatie zien van traditionele en eigentijdse elementen.

Rudolf Steiner in 1917

Wie is Geert Groote? 

Onze naamgever was een belangrijke onderwijsvernieuwer uit de vroege renaissance. Geert Groote leefde van 1340 tot 1384, in de overgangstijd tussen de late Middeleeuwen en de ontluikende Renaissance.

Geert Groote was de zoon van een rijke lakenkoopman uit Deventer en studeerde met succes. Na een ernstige ziekte kwam hij tot inkeer en tot innerlijke verdieping, waaruit zijn streven ontstond naar een religieuze houding midden in het dagelijks leven.

Als vroeg-renaissancist bepleitte Geert Groote ook een meer op het individu en op het kind gerichte onderwijsvorm. Hij voerde leeftijdsfases in als criterium om de leerstof te ordenen. Hij stimuleerde het zelfstandig leren denken en spreken en bijvoorbeeld onderlinge behulpzaamheid tussen leerlingen.

Met de levensovertuiging van Geert Groote “In God alleen te rusten en te leven en toch met beide voeten in het volle leven te staan” voelt de school zich nog steeds verbonden.

Gele sterren aan de kapstokjes

Waar zijn onze joodse leerlingen gebleven?

In 1983 werd mij gevraagd om ter gelegenheid van het vijftigjarig jubileum van de Geert Groote School een stukje te schrijven. Als leraar en oud-leerling werd ik geacht de biografie van de school goed te kennen. Maar van de jaren vóór 1953, toen ik als leerling werd ingeschreven, wist ik vrijwel niets. Daarom besloot ik een oud-leraar te interviewen: Jan Baggerman, van wie ik nog Engels en godsdienstles had gekregen in de onderbouw. Ik koos hem, omdat hij een lange staat van dienst aan mijn oude school had vervuld, maar ook omdat hij me dierbaar was. De verhalen die hij kon vertellen waren adembenemend, niet alleen vanwege de spanning die hij wist op te roepen, maar ook omdat hij in mijn ogen een soort morele integriteit uitstraalde.

Jan Baggerman woonde, inmiddels gepensioneerd, in een landelijk gehucht in het Oosten des lands. De conflicten die eind jaren zestig binnen het lerarencollege van de Geert Groote School een crisis hadden veroorzaakt, hadden bij hem wonden geslagen die duidelijk nog niet waren geheeld. Hij ontving mij als jonge, enthousiaste leraar aan die met historie beladen school, dan ook met enige reserve. Toen het gesprek tenslotte toch op gang kwam, vertelde híj me over tragedies die zich in de oorlogsjaren rond onze joodse leerlingen hadden afgespeeld. Onder tranen.

Kennelijk was er na de oorlog weinig met die traumatische gebeurtenissen ‘gedaan’. Er werd tijdens de naoorlogse opbouwfase niet zo teruggekeken, laat staan dat het leed intensief werd besproken of verwerkt. Dat laatste realiseerde ik me overigens pas jaren later, tijdens de twee minuten stilte op 4 Mei 1990, alweer lang na dat interview met Jan Baggerman. Opeens vroeg ik me af waarom wij als school nooit aandacht hadden geschonken aan onze in de kampen omgekomen leerlingen.

Inmiddels werden er reeds grondwerken verricht voor de nieuwbouw van onze afdeling Voortgezet Onderwijs aan de Fred Roeskestraat. Ik meende dat ergens in dat nieuwe gebouw ‘iets’ zou moeten komen dat aan deze oud-leerlingen zou herinneren. Maar wie waren zij? Hoe luidden hun namen? Wáren er überhaupt wel leerlingen van onze school omgekomen in de vernietigingskampen? Waren zij niet allemaal teruggekeerd of ondergedoken geweest?

Jan Baggerman was enkele maanden na het interview overleden. Ik besefte daardoor dat ik tijdens dat bezoek in het Oosten des Lands iets belangrijks verzuimd had. Ik had moeten dóórvragen: Wie waren die leerlingen dan? Hoe luidden hun namen? Welke van hen hadden overleefd en wie waren omgebracht? De dood van Jan Baggerman maakte mijn gebrek aan tegenwoordigheid van geest definitief, ik kon het niet meer even herstellen.

Tijdens de oorlogsjaren was de Geert Groote School ondergebracht in de Hagedoornschool aan de Albrecht Dürerstraat, die zes lokalen overhad

Waar zijn wij nu helemaal mee bezig?

Mijn pogingen om die gemiste kans enigszins te compenseren, leken aanvankelijk onbegonnen werk. Netwerkend langs nog in leven zijnde oud-leraren, ex-leerlingen en hun verwanten leek het wel alsof het verhaal van Jan Baggerman nooit werkelijkheid was geweest. Alleen ex-onderwijzeres Joly Schmidt die na lang zoeken tenslotte in Engeland bleek te wonen, vertelde mij via de telefoon dat er in haar klas een joods meisje had gezeten, Ruth Lisser, die in Hamburg was geboren, met haar moeder na de machtsovername was gevlucht naar Oostenrijk. Maar de Anschluss van dit broedervolk bij Nazi-Duitsland was voor haar opnieuw aanleiding om te emigreren. Zo trok zij met haar dochtertje naar Amsterdam. Volgens Joly Schmidt had de moeder van Ruth een luchthartig karakter en een onverwoestbaar geloof in een goede afloop. Maar al snel bleken zij ook in Nederland allesbehalve veilig en was ontsnappen niet meer mogelijk.

Ruth Lisser bleef jaren lang de enige van wie leek vast te staan dat zij op de Geert Groote School had vertoefd en in Auschwitz was omgekomen. Het leek soms wel alsof voor de betrokkenen uit die jaren, die ik vaak pas na veel omwegen te spreken wist te krijgen, een sluier over het geheugen was gelegd. Begrijpelijk, want de enkele leraren in kwestie waren inmiddels hoogbejaard en de leerlingen waren toen het allemaal gebeurde nog in de basisschoolleeftijd en daardoor niet zo bewust met dergelijke gebeurtenissen bezig geweest.

Er waren ook verrassingen. Een ex-leerling, inmiddels een topmanager die met de toenmalige president van Amerika op voet van gelijkheid overleg pleegde, belde me. Uit Washington. Na vele vergeefse pogingen hem te pakken te krijgen incasseerde ik de tekst: ‘Kom, kom mijnheer Mastenbroek, waar zijn wij nu helemaal mee bezig? Wordt het niet hoog tijd om met dat gezeur over die tweede wereldoorlog op te houden? Laten we toch vooruit kijken en niet voortdurend in het verleden blijven wroeten.’ Namen van zijn joodse klasgenoten wist hij niet.

Ik was te onthutst om nog een zinnige repliek bij te dragen. Dit soort commentaar zou ik overigens nóg enkele malen te horen krijgen. Sommigen moesten echt overtuigd worden van het ‘waarom’ van deze actie, teneinde een instinctieve afkeer tegen al die emoties van vroeger nog een beetje in te dammen. Ik moest diep in mezelf graven om de zin van mijn actie in woorden te vertalen. Ik was begonnen vanuit een soort vanzelfsprekendheid, wat mij betreft móest het gewoon. Mijn motieven onderzoekende, bleek dat ik vooral koerste op de overtuiging dat je als school wel degelijk verantwoordelijkheid draagt ten aanzien van dit oorlogsverleden.

Natuurlijk kun je niet elke leerling of collega die bijvoorbeeld in het verkeer is verongelukt of aan een ziekte is bezweken, een gedenkplaats geven. Met weggevoerden uit de jaren ‘40/’45 ligt dat principieel anders. Toen was sprake van een politiek-maatschappelijk bestel, dat gericht een bevolkingsgroep trachtte te elimineren.

Daarnaast echter, heb je als vrijeschool nog een heel ander soort verantwoordelijkheid. Uitgangspunt van het door Rudolf Steiner ontwikkelde mensbeeld is, dat de individualiteit na de dood voortleeft. En dat het in dit voortbestaan, zeker voor mensen die jong op gewelddadige wijze gestorven zijn, van groot belang is dat de levenden hen op enigerlei wijze in hun gedachten opnemen. Dat is welhaast een voorwaarde voor de overledenen om deze gruwelijke ervaring te boven te komen, te verwerken. Bovendien verandert volgens Steiner na de dood het besef van tijd volledig. Verleden, heden en (tot op zekere hoogte) toekomst zijn als het ware gelijktijdig ‘aanwezig’. Dat houdt tevens in, dat gebeurtenissen die zich in een ver verleden hebben afgespeeld, nog altijd in volle scherpte in het bewustzijn voortleven.

Natuurlijk hoeft niemand zoiets te geloven. Maar deze visie heeft wel rechtstreeks te maken met de identiteit van de Geert Groote School (basisonderwijs), en het Geert Groote College (voortgezet onderwijs). Als Steiners opvattingen juist zijn, betekent dit, dat het niet verwerkte leed van weleer eigenlijk nooit ‘voorbij’ is. In die zin is het dus ook nooit ‘te laat’.

Hij had toch niets verkeerds gedaan?

Het grootste drama in de biografie van onze school begon toen de bezetter verordonneerde dat joodse leerlingen met ingang van 1 september 1941 alleen nog scholen met een joodse identiteit mochten bezoeken. Wie meende dat het allemaal niet zo’n vaart zou lopen, kon nu concluderen dat deze maatregel het straks wel heel gemakkelijk zou maken om joodse kinderen en dus hun ouders te lokaliseren. Om vervolgens wellicht toch over te gaan tot maatregelen waarover slechts enkelingen hardop dorsten te spreken. Omdat zij de meesten te ongeloofwaardig leken. Wat er inmiddels aan massale wreedheden in Polen gebeurde, leek te bizar om waar te kunnen zijn en werd veelal afgedaan als propaganda.

Onze joodse kinderen, die volgens Jan Baggerman vaak de ziel van een klas vormden, moesten dus weg. Aanvankelijk was de school vast van plan die leerlingen gewoon binnen de muren te houden. Met als gevolg dat zij op de weg naar school hun handje of das voor de gele ster moesten houden en men vervolgens moest opletten dat zij hun jasjes zorgvuldig binnenstebuiten aan de kapstok in de gang hingen, zodat de ster niet zichtbaar zou zijn, ook niet vanaf de straat.

Maar geleidelijk werd de stemming jegens joodse kinderen grimmiger en werd het voor de school te gevaarlijk om deze leerlingen nog langer onderdak te verlenen. Er hebben zich drama’s voltrokken met pogingen om onderduikadressen te verzorgen en met afscheid bij deportaties, waar diverse oud-leraren niet dan onder tranen over konden spreken. Daarnaast was er de steeds serieuzer wordende dreiging dat je als leraar werd opgepakt voor de Arbeitseinsatz. Een enkele docent, Carel van der Willigen, heeft het laatste deel van de oorlog in de leraarskamer gewoond en maakte, als het college zich daar verzamelde voor de ochtendspreuk, zijn bed op. Ook Greta Kahn, de moeder van drie van onze joodse leerlingen zat enkele maanden in de school ondergedoken.

Het is trouwens opmerkelijk dat diverse leerkrachten van de Geert Groote School actief waren in het verzet. Met name Cees van der Linden. Hij betrad, gekleed in het uniform van een Duits officier het kantoor van de Sicherheitspolizei en wapperde met documenten die de opheffing de school bekrachtigden. Hij riep, Duits sprekend als een Germaan (hij had in Duitsland gestudeerd): ‘Heil Hitler! Die Schule ist geschlossen!’ Terwijl de school gewoon doordraaide. Van der Linden opereerde met enorme risico’s in de illegaliteit. Het staat ook vrijwel vast dat hij intensieve contacten onderhield met Nico Knoppers, een predikant in Friesland die een centrale rol vervulde binnen het verzet aldaar. Dankzij die samenwerking zijn enkele ouders en leerlingen van onze school aan een onderduikadres gekomen. (Over het reilen en zeilen van de school onder de bezetter: zie Geschiedenis van de School op deze site).

Zo bleven onze joodse leerlingen geleidelijk weg. Sommigen vertrokken inderdaad naar joodse scholen, anderen doken onder. Naast Van der Linden hielpen verschillende leraren van de Geert Groote School bij het vinden van onderduikadressen. Dat betekende vaak dat ouders op een ander geheim adres werden ondergebracht dan hun kinderen. Zo wist Greta Kahn niet waar in Nederland haar drie zoons schuilden en of zij al dan niet waren verraden en weggevoerd. Zo leefde zij, schuilend voor de eventuele blikken van buiten, in borende onzekerheid. Ook de leerlingen mochten niet weten dat een volwassene in hun school een ondergedoken bestaan leefde: Te gevaarlijk. Bij die hulp om geheime onderduikadressen te vinden werden de namen van Carel van der Willigen, Jan Baggerman en uiteraard Cees van der Linden genoemd. Maar wellicht waren het er meer. Niet lang daarna zouden hartverscheurende momenten van afscheid bij de trein naar kamp Westerbork, Vught of erger de stemming in de school bepalen. Ook daarbij hielpen leraren, met het dragen van bagage en het inspreken van moed voor zover dat kon.

Maar een enkele joodse leerling kwam nog af en toe gewoon op de oude school en schoof aan bij een les alsof er niets gebeurd was. Omdat de kameraadjes daar zaten. Of omdat hij niet begreep waarom deze school opeens taboe was. Hij had toch nooit iets verkeerd gedaan? En moest je hem dan wegsturen?

Tussen Modena en Piacenza

Drie jaar na het begin van mijn zoektocht bevond ik me als reisleider vóórin een volle touringcar, ergens tussen Modena en Piacenza en hield een praatje voor de microfoon. Eén van de passagiers was Wil Woldijk, een euritmiste van Nederlandse afkomst die in Engeland woonde en werkte. Nadat ik, min of meer terloops iets had verteld over mijn zoektocht naar joodse leerlingen aan de Geert Groote School, en daaraan had toegevoegd dat ik de hoop had opgegeven ooit nog hun namen te achterhalen, kwam zij naar voren en zei kordaat: ‘Je moet Michaël Ogilvie schrijven. Hij is oud-leerling, woont in Duitsland, is ver in de tachtig, maar weet alles nog.’ Ze gaf me het adres.

Wil Woldijk had gelijk. Twee weken later ontving ik een brief in een groot, schijnbaar rommelig-gejaagd handschrift. Daarin stond een tiental namen van joodse leerlingen, per augustus 1941, netjes gerangschikt van de eerste klas tot en met de zevende, met de klassenleraar in kwestie erbij vermeld. Waar mogelijk had Ogilvie toegevoegd wie er naar zijn weten uit kampen of onderduikadressen waren teruggekomen en wie niet. Hij gaf ook aan omtrent welke leerlingen hij niet zeker was.

Het ging nu snel. Deborah Siegel, een leerlinge uit de eindexamenklas, hielp met de brief van Ogilvie in de hand, spontaan met het verifiëren. Haar moeder bezat de uitgave ‘In Memoriam’ van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, waarin de namen van omgekomenen vermeld staan. Daarmee kregen we zekerheid omtrent nog één oud-leerling. Dat betekende dat we aldus twee namen hadden. Het zijn:

  • Ruth Lisser 15 November 1928 Hamburg – 11 Februari 1944 Auschwitz,
  • Harry Kahn 17 Mei 1935 Amsterdam – 6 September 1944 Auschwitz.

Deze twee namen zijn geëtst in de glazen panelen die de balustrade van de centrale hal van het Geert Groote College vormen. Er was aldaar nog genoeg ruimte voor meer tekst.

Al hadden we nu zekerheid over twee leerlingen, en over een veelvoud aan joodse leerlingen dat waarschijnlijk wèl terugkeerde uit onderduikadres of vernietigingskamp, toch was het laatste woord nog niet gesproken. Want er was altijd nog een kans dat niet álle joodse leerlingen op de lijst van Ogilvie staan. En de lijst van ‘In Memoriam’ bevat alleen die namen, waaromtrent absolute zekerheid bestaat. Daarmee ging de zoektocht dus eigenlijk voort. Het was de vraag of deze ooit zou worden afgerond.

Robert Kahn
(met dank aan Robina Fellner)

Na jaren van stilte

Het lot van onze joodse leerlingen gedurende de jaren ‘40/’45 is eigenlijk niet in gewone taal te omschrijven. Je hebt een ander medium nodig om dat te benaderen. Om te beginnen zou er iets als een ceremonie moeten plaats vinden. Het was niet voor niets dat mij tijdens een dodenherdenking te binnen schoot dat wij wellicht joodse leerlingen hadden verloren. Het management van de school was graag bereid hiervoor ruimte en tijd te bieden. Voor de herdenking, die op maandag 3 november 1997, de dag na Allerzielen, werd gehouden (4 Mei viel midden in een vakantie) bleek ook onder leerlingen een royale bereidheid om bij te dragen.

Rashid Novaire uit 12b schreef voor deze gebeurtenis twee gedichten. Door de euritmisten Hannah Degenaar en Juliette van Lelyveld werd die tekst, vertaald in een choreografie, uitgevoerd. Een tiental leerlingen uit klas 11 bracht een euritmieopvoering op een etude van Skriabin in een choreografie van Hannah Degenaar. De twee gedichten van Rashid Novaire zijn in de glazen panelen van de balustrade in de centrale hal van de school geëtst.

Na jaren van stilte kreeg ik geheel onverwacht in november 2014 een mail uit Australië van Robina Fellner. Zij was verwant met Greta en Harry Kahn en had op zeker moment de site van de school onder ogen gekregen. Zij meldde dat ook het broertje van Harry – Robert – in Auschwitz was omgebracht. De lijst van In Memoriam werd geraadpleegd. Zijn lot werd bevestigd. Ook zijn naam werd aangebracht in het glas van de balustrade van de centrale hal van de school.

Er staat:  Robert Kahn, Hamburg 22 mei 1931 – Auschwitz 6 september 1944.

Op 1 mei 2015 werd in de theaterzaal van het GGCA nogmaals een herdenking gehouden. Alle leerlingen die de eerste herdenking hadden bijgewoond in 1997 hadden de school inmiddels verlaten. Bovendien was er nu een derde naam toegevoegd aan het glas. Tijdens twee lichtingen in de ochtend was de zaal tjokvol, maar de intensiteit was zodanig dat je letterlijk een speld kon horen vallen.

Ik vertelde hoe in ons land tijdens de eerste maanden van de bezetting nog het gevoel leefde dat het allemaal wel meeviel. Er was een opleving van de economie, landgenoten zochten de natuur op ter ontspanning en maakten nog in alle vrolijkheid Rijn-reisjes met cruiseboten. Duitsland was ondanks het Nationaalsocialisme een gewild vakantieland. De onmenselijkheden die zo kenmerkend waren voor de jaren onder het Derde Rijk werden in Nederland nog niet kamerbreed opgemerkt. Sluipenderwijs echter werden toch wel degelijk maatregelen getroffen die van een heel andere toonzetting getuigden en geleidelijk kwam de school in een positie die achteraf als ontzettend gevaarlijk zou worden bestempeld. Omdat er van de vele honderden die met de Geert Groote School in contact kwamen (leerlingen, ouders, familieleden, vrienden, ouders en docenten van de Hagedoornschool en de inspectie voor het onderwijs) er maar één de school had hoeven te verraden en het was over en uit geweest. Met scenario’s van gevangenneming en deportatie in het verschiet.

De namen van de drie bekende Joodse leerlingen van onze school werden uitgesproken. Simon uit klas 11 vroeg de aanwezigen om zich zo precies mogelijk voor te stellen dat een van hun medeleerlingen niet meer in de klas zou mogen blijven zitten en er op zeker moment gewoon niet meer was, niet meer bestond. Als besluit van zijn gevoelige voordracht zegde hij na een minuut stilte het Kaddish, het gebed voor de doden, in het Nederlands en het Hebreeuws. Vervolgens zong uit klas 8 Sterne een Joods lied en Conchita uit 10 reciteerde de twee gedichten van Rashid Novaire. De bijeenkomst werd op muzikale wijze afgesloten. Tijdens de eerste lichting door Esmée uit klas 12. Zij speelde de compositie voor gitaar van Villalobos. Voor de tweede groep speelde Hadewych de compositie Prayer van Ernst Bloch op haar cello.

Harry Kahn 1941
(met dank aan Robina Fellner)

Nieuwe namen

Dankzij het onvermoeibare speurwerk van Robina Fellner in Australië zijn in september 2019 opnieuw twee nieuwe namen bij ons binnen gekomen. Dat wil zeggen dat we nu zeker weten dat  Flora Betty van Dal  (Amsterdam 6 Mei 1928 – Auschwitz 17 september 1942) een leerlinge van onze school was.

Helemaal zeker zijn we niet over haar jongere zusje Elisabeth van Dal (Amsterdam juli 29, 1933 – Auschwitz 17 september 1942).

We zullen als school een beslissing moeten nemen of wij haar eveneens opnemen in de lijst met omgekomen joodse leerlingen of niet. Voorlopig lijkt het voor de hand te liggen dat beide meisjes op dezelfde school waren ingeschreven al is daar vooralsnog geen spijkerhard bewijs van.

Dat betekent dat we er van uitgaan dat we inmiddels vijf namen kennen van onze leerlingen die zijn omgebracht. Hun namen zijn geëtst in de glazen panelen rondom het balkon binnen de centrale hal van de school. We mogen daarnaast ook met enige zekerheid aannemen dat ongeveer de helft van onze joodse leerlingen de oorlog heeft overleefd. Onder hen bevond zich Eric Kahn, de oudste broer van Harry en Robert. (Toen Robert en Harry werden opgepakt omdat hun adres nabij Hengelo was verraden, bevond Eric zich toevallig een stukje verderop in de tuin en ontsnapte aan het noodlot.) De vijf leerlingen die ons op zo smartelijke wijze zijn ontvallen zijn dus:

  • Ruth Lisser (Hamburg15 November 1928 – 11 Februari 1944 Auschwitz)
  • Harry Kahn (Amsterdam 17 Mei 1935 – 6 September 1944 Auschwitz)
  • Robert Kahn (Hamburg 22 mei 1931 – 6 september 1944, Auschwitz)
  • Flora Betty van Dal (Amsterdam 6 Mei 1928 – 17 september 1942 Auschwitz)
  • Elisabeth van Dal (Amsterdam, juli 29, 1933 – september 17, 1942 Auschwitz)

Van twee van deze oud-leerlingen bezitten we, met dank aan Robina Fellner, een foto. Het zijn Harry en Robert Kahn. Van Robert rest ons nog een reisdocument voor het transport van Westerbork naar Auschwitz. Een document dat er nog verbazend gaaf uitziet.

De twee gedichten van Rashid Novaire, eveneens in het glas geëtst, luiden:

Blikken baan

Blikken baan

omleiding van de zon

scheuren in licht.

Een rails zie ik

door een landschap gaan.

Ineens weet ik…

Ik wil wonen in mijn

gezicht.

Ik wil schuilen in

de plooien van mijn mond

wanneer ze zacht worden beroerd

wanneer iemand opstaat en zegt:

Een kind is weggevoerd.

Teder vergeten

Teder vergeten

rust in onze hand

zilverwitte lijn van de horizonrand

onder onze huid rust een verlangen

om van zoveel pijn te weten.

Hun namen zijn vermengd

met elke steen van deze school.

Lachende kinderen strelen de klanken

bij het richten

op hun goal.

Het is de lichtval op hun gezichten

die hun namen steeds

herdenkt.

Teder vergeten

rust in onze hand,

voetstappen van vroeger in het

natte zand.

Door de ijle zee met zacht gemoed

weggesleten.

De zoektocht gaat door

Ondertussen zijn er in de verschillende brieven die ik ontving namen genoemd van joodse leerlingen van de Geert Groote School waaromtrent geen zekerheid bestaat. Om een verdere zoektocht mogelijk te maken, zijn hun namen hierbij afgedrukt. Zonder hulp van derden lijkt het onmogelijk hun lot nog te achterhalen. Het zijn:

  • Geert Scheffer (ca 1928)
  • Henny van Dam (ca 1928)
  • Frankie Aaron (ca 1930)

Heb je naar aanleiding van bovenstaand verhaal nog vragen of toevoegingen, neem dan contact op met Mark Mastenbroek  of kijk op markmarkmast.nl

PS Dit artikel behandelt een scenario dat ver achter ons ligt. Dat wil zeggen dat veel gegevens zijn ontleend aan getuigenissen van oud-leraren en ex-leerlingen die inmiddels al hoog bejaard zijn. Het is niet ondenkbaar dat de inhoud van die getuigenissen onbedoeld op details enige correctie zou kunnen behoeven. Ik heb mijn best gedaan die getuigenissen zo nauwgezet mogelijk recht te doen. Mocht er toch een onjuistheid in de tekst opduiken, dan zal ik die zeker corrigeren en waar mogelijk mijn excuses aanbieden aan de (nabestaanden van) de betrokkenen.

Ons schoolgebouw

Als je onze school bezoekt, dan zal het je gelijk opvallen dat het gebouw een bijzondere architectuur heeft. Ons schoolgebouw is zelfs opgenomen in de Architectuurgids van Amsterdam.

In de vormgeving en het ontwerp en de uitvoering zijn veel verwijzingen naar onze ideeën over onderwijs en de ontwikkeling van jonge mensen. Dit vertaalt zich naar ‘organische architectuur’. Ook aan de lokalen zie je veel pedagogische idealen terug. De gevarieerde vormen nodigen uit tot variabele lesvormen.

Wij vertrouwen op de vormende werking van het gebouw en zijn trots op het kunstwerk dat onze school is!