Geert Groote College Amsterdam
Fred. Roeskestraat 84
1076 ED Amsterdam

020 574 5830
info@ggca.nl

“Heil Hitler! De school is gesloten!”

Mark Mastenbroek, sinds 1953 leerling van het GGCA en docent sinds 1970, neemt ons mee in de geschiedenis van het GGCA.

De school werd met een zeventigtal leerlingen, verdeeld over zes gestaag groeiende lagerschoolklassen, te groot voor het pand aan de Lairessestraat. In de Quinten Massijsstraat, achter de Euterpestraat, resideerde de Hagedoornschool in een nieuw-zakelijk bouwwerk uit gele baksteen; strak en met voor die tijd grote ramen in stalen sponningen. Deze school was gestadig kleiner geworden. Het was een eliteschool en had op dat moment zes lokalen over. In 1940 werd een deel van dit gebouw door de Geert Groote School betrokken.

De Hagedoornschool.

“Die Schule ist geschlossen”

De zeven jaren die de Geert Groote School op die locatie vertoefde, zijn overschaduwd door de oorlog. Dat de school überhaupt heeft kunnen voortbestaan, terwijl alle andere vrijescholen in bezet gebied en in Duitsland op bevel van de nationaalsocialistische autoriteiten onmiddellijk moesten worden gesloten, is te danken aan een combinatie van factoren.

In de eerste plaats was er een onberedeneerd gevoel waarbij doorgaan als iets vanzelfsprekends werd beleefd. Ook als dat op illegale basis moest gebeuren. Als eerste strategische zet werden door de administrateur, Mr Heintz, alle rekeningen van de school opgeheven. Vervolgens werd door leraar Cees van der Linden een goedkope partij oude schoolbanken gekocht en ingeleverd bij het depot van de Sicherheitspolizei. Alsof het van de zojuist opgeheven Geert Groote School kwam. Dat gebeurde volgens overlevering op spectaculaire wijze. Cees van der Linden had aan het Bauhaus te Dessau gestudeerd en sprak derhalve Duits als een Germaan.

Hij verscheen ten kantore van de Sicherheitspolizei in het uniform van een SS-officier en onder een luid Heil Hitler, die Schule ist geschlossen! wikkelde hij de administratieve plichtplegingen af die dankzij het inleveren van de schoolmeubels vereist werden.

In datzelfde uniform zou hij zich enkele maanden later presenteren bij het wapenarsenaal van de Gestapo. Aldaar eiste hij een portie wapens op die op een vervalst bevelschrift stonden vermeld. Met een handkar vol wapens onder een dekzeil vertrok hij vervolgens naar zijn souterrain op de hoek van de Prinsengracht en Leidsegracht alwaar het verzet een geheime wapenopslagplaats beheerde en distribueerde door het hele land. Wie in die dagen een dergelijk huzarenstukje kon uitvoeren, moest diep in de wereld van de illegaliteit zijn doorgedrongen. Gedurende de oorlogsjaren was Van der Linden ook regelmatig een weekje weg. Ongetwijfeld vanwege dit soort bezigheden waarover uiteraard gezwegen diende te worden. In ieder geval was hij ook actief betrokken bij het vinden van onderduikadressen voor leerlingen en ouders. Maar daarin was hij niet de enige. Ook de onderwijzers Carel van der Willigen en Jan Baggerman zochten met gevaar voor eigen leven naar mogelijkheden voor joodse families om onder te duiken. Carel van der Willigen was een groot deel van de oorlog ondergedoken in de leraarskamer omdat hij vreesde te worden opgepakt voor de Arbeitseinsatz. Wanneer de leraren zich ’s morgens verzamelden voor de ochtendspreuk maakte hij aldaar zijn bed op. Tijdens de laatste paar maanden van de bezetting was de moeder van één van onze joodse leerlingen eveneens ondergedoken in het schoolgebouw.

Ondertussen huisde de school als gast binnen een andere school die gelukkig steeds zijn mond hield, zoals ook de inspectie tijdens al die oorlogsjaren zweeg. (Achteraf bezien mag dat een wonder heten. Gezien de vele leraren, leerlingen, ouders, familieleden en inspecteurs die hierbij in het geding waren, had dit avontuur maar al te gemakkelijk fataal kunnen aflopen, want je werd snel verraden in Amsterdam. Want de slogan Feind Hört mit! Was overal actueel. En na ontdekking wachtte als je geluk had de gevangenis, maar meestal het transport.)

Vervolgens bevond de school zich vlakbij het hoofdkwartier van de SS in de Euterpestraat, met als gevolg dat niemand op die plek iets subversiefs vermoedde. Verder viel dit schooltje niet op te midden van de vele andere scholen in de buurt, zij was met haar geringe leerling bestand nauwelijks een culturele factor van betekenis, (zoals de Haagse vrijeschool met veel leerlingen en een opvallend gebouw, dat wel was). Tenslotte riep de naam van de school associaties met katholiek onderwijs op en niet met antroposofie en stond bij de omschrijving van de school in het onderwijsarchief alleen de tekst onderwijs op kunstzinnigen grondslag. Had er vrijeschool, antroposofie, Waldorf- of Rudolf-Steiner-pedagogie gestaan, dan was het snel afgelopen geweest. Zo is het niet ondenkbaar dat de Cornelis de Vrij school, die aan het begin van de bezetting gedwongen werd om te sluiten, die maatregel te danken had aan het woord Vrij. De bezetter vermoedde hier wellicht een Amsterdamse vrijeschool in functie. In dat geval trof de De Vrijschool het lot dat eigenlijk voor de Geert Groote School bedoeld was. Het zou interessant kunnen zijn om dat eens uit te zoeken.